Componist en hemelbestormer Merlijn Twaalfhoven (1976) over het muziekleven in 2050: ,,Kwaliteit is nu al gratis. Je kunt op het allerhoogste niveau muziek beluisteren zonder zelfs maar je huis uit te komen. Dat is een ontwikkeling die nog een tijdje doorgaat; reproducties worden mooier dan de werkelijkheid, concerten klinken nergens meer zo mooi als uit de machines thuis. Internet en televisie fuseren en gaan door totdat je ziek bent van alles en naar buiten wilt; mensen ontmoeten. In 2050 is daarom geen behoefte meer aan het mooiste of het meest perfecte. Je kunt nu al alles halen, gratis downloaden- dat wordt grenzeloos. Het draait net meer om het product, maar om de ontmoeting die er dankzij het muziekstuk plaatsvindt. Niet alleen muzikanten onderling, vooral de rol van bezoeker zal hierbij veranderen. Het publiek wil betrokkenheid, het wil een essentieel onderdeel zijn van de muziek. Expressiviteit zit hem niet alleen in wat je kunt halen, maar ook in wat je zelf kwijt kunt.’’

Hoe moet ik me zo’n ontmoeting voorstellen?

Een musicus die een podium oploopt, zijn ogen dichtdoet en geconcentreerd begint te spelen – dat is het klassieke beeld van kunstmuziek. Het is eenrichtingsverkeer waarbij het publiek wordt buitengesloten. Muziek wordt in de toekomst een voertuig voor een bijzondere ontmoeting op gevoelsniveau, in twee richtingen. Zoals dat bijvoorbeeld op een eenvoudige manier al in de popmuziek gebeurt: ‘is everybody happy?’. Dat kun je op een hoger plan tillen als het publiek een echte actieve rol krijgt. Er zijn nu al concerten met toelichtingen van de componist, of concerten waarin het publiek bepaalt welk stuk er na de pauze wordt gespeeld. In 2050 is de musicus een kok die kookt met de ingrediënten die het publiek meebrengt.”

Blijven de orkesten hun Mozart spelen in de concertzaal?

Dat blijft bestaan. Het is vergelijkbaar met het museum. Ik wil eens in de tien jaar graag voor de ‘Nachtwacht’ staan of Tsjaikovski’s Vioolconcert horen. Dat is van levensbelang. Maar wat vernieuwing betreft, is de hoop niet gevestigd op de orkesten. We hebben nu de fase met de rappers bij een symfonie van Beethoven. Maar tijdens zo’n project stralen de musici evenveel ongeloof uit als de bezoekers. Ik zie dat orksten op zoek zijn naar manieren om concerten zo tof mogelijk te krijgen, maar het is geforceerd en ze gaan nooit all the way. Dat komt omdat een orkest synoniem is met efficiency. Experimenteren is niet efficiënt, want het kost tijd en tijd is te duur. Componisten mogen alleen stukken schrijven binnen bepaalde kaders. Het moet in één keer raak zijn, want een orkest kan zich niet teveel mislukkingen permitteren. Terwijl een componist vaak juist een nieuwe taal wil vinden, en fouten wil maken.’’

Komt er ook een nieuw soort componist?

De kunstenaar is de afgelopen eeuwen alleen maar gericht geweest op specialisatie. Het gaat om excelleren en dat kan alleen als je je helemaal focust op jezelf. Maar muziek gaat aan de andere kant over emotie, en emotie ontstaat bij contact, het is elektriciteit tussen mensen. Een kunstenaar moet dus in de toekomst een keuze maken: óf hij wordt specialist en maakt iets wat in een doosje past. Óf hij maakt verbinding en zoekt naar een gemeenschappelijke basis die misschien ten koste gaat van zijn eigen verhevenheid. Maar dan moet hij zijn studio uit en moet hij leren communiceren met zijn pulbiek.’’

Anthony Fiumara