De
titel Stadscomponist is wennen, net als nieuwe schoenen.
Zelfs ‘componist’ past
al zo lastig bij wat ik doe, maar als je ergens in afstudeert krijg je automatisch
een labeltje mee, in mijn geval dus componist.
Wat misschien beter had gepast
was bijvoorbeeld ‘bedenker van klinkende gebeurtenissen die het leven een
beetje echter maken’. Of: ‘ongemerkt doorbreker van zorgvuldig gebouwde grenzen
in de belevingswereld van mensen’. Beide studierichtingen waren helaas niet
voorhanden. De compositiestudie was dan ook eigenlijk een dekmantel om mijn
eigen gang te gaan. Zo vond mijn officiële eindexamen in een duf kamertje
plaats waar een droge partituur werd beoordeeld, terwijl ik een week daarvoor,
tijdens de uitvoering van het stuk, acteurs, figuranten, licht en interactie
met het publiek had gebruikt om een speciale sfeer te scheppen. Dat dat niet
tot de officiële afbakening van mijn beroep hoorde, was een mening van de
examencommissie waar ik me tot nu toe weinig van aantrek.
Nu maak ik het liefst muziek die een hele omgeving omvat. Externe factoren zijn
voor mij geen storende elementen, maar interessante gegevens die ik graag
opneem in het stuk. Het publiek moet de vreemdheid van het bestaan proeven, en
iets unieks meemaken door middel van ongewone interactie met je omgeving. Ik
heb daarom weinig met de artificiële en soms krampachtige stilte van een
concertzaal, en wil eigenlijk het liefst muziek maken die is als het leven
zelf, geluid dat je omringt als een stad om je heen. Geen gekke titel
eigenlijk, stadscomponist.
Najaar
2006